Safari naar de Hel

Blog Nemon

Op zondag 15 juni 2014 om 14 uur vond bij Boekhandel Scheltema (voorheen Polare) een meeting & debate plaats over de instelling van een Internationaal PlukzeHof. Dit naar aanleiding van de bestseller Safari naar de Hel door Nemon, ex-advocaat Bob van der Goen.

Het idee (zie Hoe pak je oligarchen als Janoekovitsch hun geld af?) wordt inmiddels ondersteund door: PETER R. DE VRIES, DERK SAUER, JORT KELDER, JUDITH SARGENTINI (Europees parlementslid), PROF. BOB SMALHOUT, HADASSAH DE BOER, KOOS POSTEMA e.v.a.

 

 


 

 

HOE PAK JE OLIGARCHEN ALS JANOEKOVITSCH HUN GELD AF?

Vestig in Den Haag een Internationaal Plukzehof.

De Tweede Kamer heeft met algemene stemmen een motie van GroenLinks aangenomen om beslag te leggen op via corruptie of andere vormen van misdaad verkregen, in Nederland gestalde, Oekraïense vermogens. Bijvoorbeeld van ex-president Janoekovitsch. Of van zijn zoon die twee lege bv’tjes voor dat doel in ons land zou hebben (Mako Holding en Artvin Holding). Volgens zakenblad Forbes heeft Janoekovitsch junior in drie jaar tijd $ 500 miljoen in het straatarme Oekraïne bij elkaar weten te sprokkelen. In de Kamer bestaat irritatie over het gemak waarmee Oekraïense oligarchen via Nederlandse advocaten- en trustkantoren geld uit het land hebben kunnen sluizen ( NRC van 5 Maart).
Klinkt mooi en voortvarend, maar te vrezen valt dat het alleen maar voor de Bühne is en we hier nooit meer iets van horen. Zoals dat gaat met moties die gemakkelijk worden aangenomen, omdat je er met goed fatsoen niet tegen kan zijn, maar om de uitwerking waarvan niemand zich bekommert. Want hoe en door wie is eigenlijk vastgesteld wat criminele vermogens zijn en wat niet? En waren die vermogens vóór Maidan dan niet crimineel en hoefde er toen niets aan te gebeuren en nu opeens wel?
Niemand die zich dat afvraagt. Dat doen we nooit als het om dat soort zaken gaat. Hoogstwaarschijnlijk is  de corruptie of platweg diefstal van overheidsgelden uit een land als Oekraïne maar kinderspel vergeleken met wat zich sinds jaar en dag in Afrikaanse landen afspeelt. Nu tijdelijk even uit the picture, maar binnenkort, als de eerste  Nederlandse militairen omkomen in Mali, herontdekken we vanzelf weer dat continent. En vragen we ons kortstondig, maar voor de zoveelste keer, af wat er in dat continent in hemelsnaam toch mis is. Misschien zien we dan onder ogen dat daar de bloedige conflicten die zoveel mensenlevens kosten ( in Congo staat de teller op vijf miljoen, nu is Zuid-Soedan aan de beurt)  de laatste jaren van karakter zijn veranderd: ze zijn nauwelijks nog politiek van aard, maar gaan nu vooral om grondstoffen of wie de staatskas “beheert”.  Economische belangen, maar dan wel van een uiterst kleine bovenlaag.  Volgens Transparency International zijn de meest corrupte landen ter wereld die bezuiden de Sahara. Het bedrag van de corruptie wordt geschat op 150 miljard per jaar. Daarmee kan je heel wat doen: bijvoorbeeld  wapens kopen. Je kan er zelfs verkiezingen mee “stelen”, zoals in Kenia is gebleken. Een paar duizend doden meer of minder speelt dan geen rol.
Maar we hebben in Den Haag toch iets moois als het Internationaal Strafhof (ICC), voor welk forum verdachten van misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden berecht? Waarom horen we daar de laatste tijd zo weinig van?
Het ICC, ingesteld op basis van het Statuut van Rome van 1998, wekte aanvankelijk hoge verwachtingen. Toentertijd had men er meer dan nu nog vertrouwen in  dat menselijk gedrag te sturen valt door het aanscherpen van strafrechtelijke sancties. Intussen een (behalve bij staatssecretaris Teeven) wat achterhaalde opvatting: het strafrecht staat vaak  machteloos. De belangrijkste zaak die bij het ICC aanhangig is, die tegen de Keniaanse president Kenyatta,  toevallig ook de rijkste man van het land, is  onlangs voor de zoveelste maal  uitgesteld. Waarschijnlijk tot Sint Juttemis. De getuigen die er waren worden gewoon omgekocht of als dat niet gaat omgebracht. Ook hier speelt geld de hoofdrol en belemmert de rechtsgang. Maar bij een instelling als het ICC blijven de vergrijpen op het financiële vlak als corruptie, verduistering van staatsgelden en daarmee gepaard gaande witwaspraktijken buiten beeld.
Het is opvallend dat er nog steeds geen sprake is van een structurele aanpak van deze categorie misdaad. En dit terwijl corruptie en andere staatscriminaliteit juist in de regionen waar de levensstandaard het laagst is zo wijdverbreid zijn. Volgens Transparency International ligt het percentage van ontwikkelingslanden waar hiervan sprake is boven de 90 %. Deze worden zelfs hoe langer hoe meer gezien als het grootste probleem dat zich voordoet bij de ontwikkeling van die landen. In een omgeving waar meer dan 80 % van de bevolking moet zien rond te komen van minder dan $ 2 per dag blijken instanties die bedoeld zijn om de zwakkeren te beschermen, zoals de rechterlijke macht, verlamd, als ze niet al regelrecht worden omgekocht. De machthebbers zijn onaantastbaar. Zelfs indien een van hen veroordeeld wordt en – bijna ondenkbaar – voor een of twee jaar in de cel verdwijnt, dan nog tast dit de criminele structuren niet aan, zolang zijn vermogen in stand blijft. Wat voor hem letterlijk van levensbelang is: mocht een andere partij aan de macht komen, dan moet de verslagen machthebber over voldoende middelen beschikken om zich in te kopen bij de nieuwe heersende klasse, waarna alles op de oude voet doorgaat.
Wat tot de dag van vandaag ontbreekt  is een internationale rechterlijke instantie die zich kan buigen over vergrijpen op het financiële vlak en de bevoegdheid bezit over te gaan tot ontneming van illegaal verkregen vermogens. Verandering in de samenleving die werkelijk zoden aan de dijk zet is alleen maar mogelijk als een forum wordt gecreëerd dat niet onderhevig is aan de nationale machtsstructuren en de bevoegdheid bezit de verduisterde overheidsmiljoenen (of –miljarden) terug te vorderen: een internationaal civiel hof, ingesteld door verdragsluitende staten, onder auspiciën van de UN. Net zoals bij het bestaande ICC het geval is.
De instelling van zo’n Internationaal Plukzehof  zou niet uit de lucht komen vallen, maar sluit aan bij een ontwikkeling die al langere tijd aan de gang is. Door de G 7 is de FATF opgericht, die zich bezig houdt met het tegengaan van witwassen en financiering van terrorisme. Bij ons parlement is het Finec-wetsvoorstel ingediend met een paar procedurele aanpassingen in de opsporing. Maar dat blijft allemaal kurieren am Symptom.  Los daarvan moet er geen sprake zijn van een hapsnap-beleid, waarbij wat wordt gedaan ( of wordt voorgespiegeld) als het politiek goed uitkomt. Het bevriezen van tegoeden van Oekraïnse oligarchen zal weinig indruk maken nu dit door politieke motieven wordt ingegeven. In de gegeven situatie is toch al elke legitimatie zoek: het door Rusland inpikken van de Krim is in strijd met het recht, maar de afzetting van Janoekovitsch is dat niet minder. Er bestaat geen behoefte aan een optreden van de EU of welke instantie dan ook om in dit stadium gelden in beslag te nemen, zonder dat van een behoorlijke procesgang met de internationaal erkende waarborgen als recht op verdediging sprake is. Het is niet bevorderlijk voor de internationale rechtsorde als de bestrijding van criminele praktijken even schimmig blijft als die praktijken zelf.  
De procedure die door het op te richten Internationaal Civiel Hof gevolgd zal worden, concentreert zich op een in wezen tamelijk eenvoudige vraag: U verdiende als minister zeg tweeduizend dollar per maand, in ieder geval beneden de Balkenende norm. Waar komen  de miljarden die u bezit dan vandaan? Als de hogere ambtenaar, minister of president hier niet op kan of wil antwoorden ziet het er slecht voor hem uit: met omkering van de bewijslast heeft de beschuldigde maar aan te tonen hoe hij zijn vermogen op legale wijze heeft verkregen. Hij wordt onderworpen aan een maatregel van het Internationaal Civiel Hof, dat hem dwingt opening van zaken te geven. Doet hij dat niet, dan volgt executoriaal beslag op zijn gehele vermogen.
Hoe ver weg dit misschien nu nog lijkt, als het bewustzijn eenmaal doordringt dat het Internationaal Plukzehof een substantiële bijdrage kan leveren om zoveel mensen, waaronder miljoenen in Afrika, een menswaardig bestaan te bieden, kan het nog wel eens snel gaan ook. Hierbij kan worden  ingespeeld op de omwenteling die zich dankzij de zich in een razend tempo ontwikkelende informatietechnologie momenteel wereldwijd voordoet. Corruptie, fraude en verduistering van overheidsgelden tieren even welig als tevoren, maar het wordt voor de machthebbers wel steeds lastiger hun bijeengegraaide gelden te verstoppen. Wikileaks heeft talloze illegale geldstromen blootgelegd en alleen al door raadpleging van de duizenden documenten met naam en toenaam is te achterhalen hoe de verduisterde overheidsgelden zijn weggesluisd. Informatie waarmee nu niets wordt gedaan. En dan heb ik het nog niet eens over de NSA.
Natuurlijk, door juristen moet nog heel wat juridisch dogmatisch denkwerk worden verzet, door politici moeten nog heel wat politieke barrières worden geslecht. Maar het loont de moeite om het kwaad bij de wortel aan te vatten.
Vanzelfsprekend moeten we ook als een Internationaal Civiel Hof er uiteindelijk komt, daar geen wonderen van verwachten. Maar wel is de verwachting reëel, dat de potentiële fraudeurs in machtsposities een afweging zullen gaan maken en een pakkans in gaan calculeren. Alleen dat al kan bijdragen tot een wellicht spectaculaire afname van  corruptie en staatsfraude. Daarnaast kunnen er miljoenen, wellicht miljarden achterhaald worden die aan de straatarme bevolking van de landen die het meest van de overheidscriminaliteit te verduren hebben worden teruggegeven. Ontwikkelingssamenwerking? Prima, maar wel graag eerst even de handtekening van het ontvangende land onder het Verdrag waarmee het zich onderwerpt aan de rechtsmacht van het nieuwe Hof.  Dat (heel modern) met de opbrengsten zichzelf kan terugverdienen. Zet dat  eens af tegen een geldverslindend project als dat van het ICC.
Ons kleine landje herbergt in Den Haag dit en nog een een paar andere prestigieuze internationaal juridische instellingen en dat is prachtig. Minder in het zicht speelt  ons land toevallig ook een internationaal niet uit te vlakken rol bij het wegsluizen van crimineel geld. Prof. Unger van de universiteit van Utrecht schatte dat er jaarlijks minimaal 18.5 miljard euro aan zwart geld via ons land wordt witgewassen. Waarom nemen we nu niet eens het voortouw om  een tegengestelde beweging in gang te zetten?
Voor het Internationaal Strafhof, dat nu nog in een voormalig KPN-gebouw huist, zal in Scheveningen een naar verwachting ultramodern en uitstekend geoutilleerd gebouw worden opgetrokken. Hiervoor is enige tijd terug de eerste spade de grond ingegaan. Laten we met vooruitziende blik er alvast een vleugel voor het Internationaal Plukzehof bijbouwen.

 

 


 

 

OVERLEEFT HET KONINGSHUIS PRINS BERNHARD ?

Prins Bernhard, die in  Safari naar de Hel een bescheiden bijrolletje speelt, wordt postuum gefileerd door Aalders. Overleeft het koningshuis deze prins? De redenatie die zou moeten gelden is simpel genoeg: óf het doet er toe uit welk nest je komt en wie je voorouders zijn. Dan hoort een koppel met genetisch materiaal van prins Bernhard en Zorreguieta niet op de troon. Of het doet er niet toe wie je voorouders zijn. Maar dan heeft het ook geen betekenis dat je van koninklijke bloede bent en hoort Willem Alexander evenmin op zijn positie, maar iemand die zich op eigen kracht omhooggewerkt heeft. In beide gevallen horen ze dus te worden afgezet. Dat dat er niet van komt, is iets anders.

 

 


 

 

OVERVAL OP JUWELIER IN DEURNE: HET O.M. BEGRIJPT ZICHZELF NIET

De hoofdofficier van justitie was er als de kippen bij om op een persconferentie het volk ervan kond te doen dat de juwelier en zijn vrouw in Deurne die de overvallers hadden doodgeschoten  juridisch-technisch als verdachte waren aangemerkt maar vanaf het allereerste begin niet als zodanig behandeld waren. Hè? Hoor ik dat goed? Kan dat dan? En wie bepaalt of iemand juridisch-technisch als iets wordt aangemerkt en behandeld als iets anders? Verder vond de hoofdofficier dat er een handelwijze was geweest die leek op zelfverdediging. Waarom kon dat niet wachten en moest dat binnen 24 uur na de overval worden uitgesproken? Iedereen die wel eens aangifte heeft gedaan weet hoe traag de politie anders werkt. Waarom zegt die man niet gewoon dat hij bang is voor De Telegraaf? Maar als die hoofdofficier geweten had waarover hij praat had hij zich helemaal niet in dergelijke vreemdsoortige  bochten hoeven te wringen. Als hij dan toch zo nodig voor zijn beurt had moeten praten bij een nog niet afgerond onderzoek (wegens maatschappelijke onrust of zo) had hij kunnen volstaan met te zeggen dat er een onderzoek gaande was, waaruit nog moest blijken of de juweliers als verdachte zouden worden aangemerkt en tot vervolging zou worden overgegaan. Dan hadden ook geen kamerleden en anderen zich op het NOS-journaal met  deze uitspraken hoeven  te bemoeien. Waarbij zoals gewoonlijk niet de enig juiste conclusie wordt getrokken: die hoofdofficier is, juridisch-technisch of hoe ook bezien, een domoor en ik stel voor hem wel degelijk als zodanig te behandelen. Want wat is erger dan een babbelzieke minister? Juist: een babbelzieke officier. 

 

 


 

 

Kort verhaal op verzoek:

DE LAATSTE STILTE

Kerger sloeg met zijn vuist op  tafel.
“En  nu is het afgelopen!” schreeuwde  hij. “Als jullie nu niet stil zijn dan…”
Een oorverdovend gedreun  maakte de rest van zijn woorden onverstaanbaar, zelfs voor de leerlingen in de voorste schoolbank. Het was het tweeëndertigste vliegtuig dat dit uur overkwam. Ditmaal was het een Condare, het snelste luchtvaartuig dat de techniek tot nu toe had weten voort te brengen, te herkennen aan het onverdraaglijke, gierende geluid dat het gedreun begeleidde.
“Watte?” vroeg Rial, de leerling die hij om hem beter in de gaten te kunnen houden aan een apart tafeltje vooraan gezet had, toen het lawaai was weggestorven. “Had je wat? Ik ken je niet goed verstaan.” En hij hield demonstratief zijn hand achter zijn oor.
De klas had het niet meer van het lachen. Zoals bij alles wat Rial zei. En die bleef hem maar met zijn bedrieglijk trouwhartige blik aankijken. Voor hem was hij de grootste kwelgeest van de klas, maar met het onschuldigste paar kinderogen ter wereld. En de rust en vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn streken uithaalde gaven hem bij de anderen het soort natuurlijk overwicht dat Kerger in de klas miste.
Hij zag er vanaf nog iets te zeggen. Zijn woede was alweer weggeëbd en had plaatsgemaakt voor de gewone doffe berusting. Werktuigelijk schreef hij met grote krijtletters op het bord:

    Ik ben
    jij ben
    hij ben
    wij benne
    jullie benne
    zij benne

Anne op de achterste bank stak haar vinger op.
“Ik weet het, Anne,” zei Kerger vermoeid. “Jij hebt op die andere school hij is geleerd. Maar hier zeggen we hij ben. Om het niet te moeilijk te maken, want…”
Gelukkig, daar was numero drieëndertig om zijn explicatie weg te vagen, hem de moeite te besparen het Anne, die pas in deze buurt was komen wonen, uit te leggen.
Met zijn stok wees hij een leerling aan om op te lezen wat op het bord stond. Maar de aangewezene keek met een stompzinnige grijns naar hem op en begon te blaten als een schaap. Het enige dat Dogas ooit geleerd had was het imiteren van een paar dieren en dat  liet hij te pas en te onpas horen, want meer had hij niet nodig om succes te hebben. Zijn klasgenoten lagen slap van het lachen. Hierdoor aangemoedigd liet hij zich uit zijn bank glijden en gaf zijn favoriete imitatie van een dolle hond ten beste. Onder het uitstoten van geblaf en gegrom kroop hij op handen en voeten door het gangpad. Als hoogtepunt zette hij werkelijk zijn tanden in een been van een leerling. Ongelukkigerwijs was dit Rial.
Toen Dogas zijn vergissing bemerkte, was het te laat. Een onnatuurlijke stilte daalde neer in de klas.
“Rial…”  begon Kerger en hij wist zo snel niets beters te doen dan als waarschuwing zijn aanwijsstok naar hem uit te steken. Bliksemsnel trok Rial de stok uit zijn handen en stak ermee naar het gezicht van Dogas. En het was niet per ongeluk dat deze in een oog geraakt werd, maar het was - Kerger was daar zeker van – ­een doelgerichte actie. Het gekrijs van het slachtoffer bracht de klas in staat van opwinding. Als iemand een ongeluk overkwam, beschouwden ze dat als een verzetje waarvan ze zo veel mogelijk wilden profiteren. Omdat de getroffene zich nu niet meer verdedigen kon, wierp de hele klas zich als één man bovenop hem. Kerger sprong van het podium en schopte en sloeg de aanvallers waar hij ze raken kon. Hij greep Dogas beet en slaagde erin hem de klas uit te werken. In voorbijgaan ving hij een radeloze blik op, die van Anne.
Dat kind hoort hier niet, dacht hij, terwijl hij de brullende Dogas door de gang naar de EHBO post sleepte. Maar wat kon hij doen? Voordat hij de klas weer inging loerde hij door het tralieraam van de deur, noodzakelijke voorzorgsmaatregel om niet in een hinderlaag te lopen. Een paar hadden van de gelegenheid gebruik gemaakt om vanonder de banken hun blasters tevoorschijn te halen om die tegen elkaar in te laten loeien. Rial had zijn plaats voor de klas ingenomen en was bezig rustig en systematisch de papieren, die hij zo onverstandig geweest was op zijn tafel achter te laten, te verscheuren. Hij behoorde nu naar binnen te stormen en op te treden, maar een  bij hem opkomende weerzin maakte het hem onmogelijk de dubbele grendel van de deur te schuiven en de hel weer in te gaan. Hij sloop weg naar de leraarskamer aan het eind van de gang.
“Zo Kerger, nu al vrij?”
Het was zijn collega Brukers, die de krant zat te lezen. Zeker was wel dat de aangesprokene zijn mond bewoog en iets uitbracht. Wat was onmogelijk te verstaan, nu een straalvliegtuig overkwam. Maar Brukers had zich bekwaamd in het liplezen om in deze omgeving iets wat in de buurt kwam  van een normale conversatie te kunnen voeren. Hij had een hand op zijn schouder gelegd, het leek erop  dat hij begrepen had dat Kerger gezegd had: “Ik houd het niet meer uit.”
“Ik geloof dat je rijp bent om mijn uitvinding te bekijken,” zei hij,
Maar Kerger steunde zijn hoofd in zijn handen. “Dank je, maar ik kan me met de beste wil van de wereld niet meer ergens voor interesseren. Zodra ik thuis ben slik ik mijn pillen en ben dan tenminste verdoofd.”
“Wacht tot je  het gezien hebt. Zullen we gaan?”

Brukers woonde op de eenentwintigste verdieping. Voordat hij de sleutel in het slot omdraaide, spiedde hij om zich heen om te controleren of er niet toevallig iemand rondhing die naar binnen kon kijken. Toen hij de deur opende, begreep Kerger  waarom. Het was ten strengste verboden ook maar het minste aan je woonruimte te veranderen en zijn collega  had zijn vrijgezellenflat nogal afwijkend ingericht. Of beter gezegd er was van een flat geen sprake meer en van inrichting evenmin. Verbijsterd bleef hij in de deuropening staan. Alle muren waren weggebroken, zodat één ruimte was ontstaan. In het midden hing een enorme stalen bol aan kabels die het gevaarte met de zoldering en de wanden verbond. Zonder iets te zeggen ging Brukers hem voor een touwladder op en  door een luik betraden ze het inwendige van de bol. Deze bleek sober te zijn ingericht met een houten tafel en een stoel, het leek wel een kloostercel. Wilde hij zich hier verbergen als de wereld verging? Of dacht hij een ruimteschip gebouwd te hebben en wilde hij, als hij er hier genoeg van had, de touwladder ophijsen, de kabels kappen en er vandoor gaan? Zijn collega had zijn verstand verloren, was er  dus ernstiger aan toe dan hijzelf en hij begon zich af te vragen hoe hij zo snel mogelijk wegkwam. Maar voordat hij het ruimteschip of wat het in de verbeelding van zijn collega ook zijn mocht had kunnen verlaten, had deze tot zijn verontrusting de afsluiting van het luik op zijn plaats gebracht.  Zodat ze nu geheel van de buitenwereld afgesloten waren en ontsnappen onmogelijk werd.
“Ik begrijp het best hoor,” begon Kerger, begrip  tonen leek voorlopig nog de beste remedie, “het wordt ons allemaal wel eens teveel en dan ga je…”
Maar Brukers legde zijn vinger op zijn lippen en bleef hem doordringend aankijken. Brukers, die er nog steeds niet uitzag uit als iemand die niet wist wat hij deed. En langzaam maar zeker begon het tot hem door te dringen dat er hier iets anders aan de hand was, zo iets buitengewoons dat het nog minuten duurde voordat hij doorhad wat het was. Maar toen het besef eindelijk tot hem doordrong, overrompelde het hem volkomen: was dit mogelijk? Beleefde hij dit werkelijk?
“Brukers,” stamelde hij. “Is het waar? Ik hoor niets, het is hier verdomme…Hoe kan dit? Is het waar dat ik niets hoor, totaal niets, dat het hier stil is?”
Het wás waar. En Brukers vertelde dat hij er twintig jaar over gedaan had om dit te bereiken, deze bol te bouwen. Alles moest in het diepste geheim gebeuren, hij maakte zich geen illusie hoe de autoriteiten over zijn experiment zouden denken. Na jarenlange nachtelijke arbeid en talloze mislukkingen had hij, met hulp van een bevriend ingenieur, de bol weten te vervaardigen uit bijzonder geluidwerend materiaal. In brokstukken had hij het gevaarte zijn flat binnengesmokkeld. En nu genoot hij van de absolute stilte. Zelfs het gierende geluid van de Condare kon in de bol niet doordringen. Hij was een gelukkig mens.
Toen Brukers het luik weer opende om zijn gast uit te laten, doorboorde een maar al te bekende, door merg en been gaande fluittoon de stilte. Haastig sloot hij  weer af.
“Je kunt nog niet weg. Strafalarm.”
Kerger wist wat dat zeggen wilde. Als bijvoorbeeld een wijkopzichter door een bewoner was neergestoken, werd een heel blok getroffen door het in werking stellen van het strafalarm. Hiertoe waren op alle gangen luidsprekers geïnstalleerd, waardoor tonen konden worden uitgezonden die voor het menselijk oor onverdraaglijk waren. Bewoners tolden over de grond als bromvliegen waarvan een kind een vleugel heeft uitgetrokken of gilden het uit alsof ze met het geluid dat uit hen kwam dat van het strafalarm konden neutraliseren. Of ze verloren hun verstand en wierpen zich van de galerijen te pletter. Maar toen het voorbij was en Kerger naar huis kon, voelde hij zich opgewekter dan hij zich in lange tijd gevoeld had. Zijn nieuwe vriend had hem gezegd dat hij terug mocht komen zo vaak hij maar wilde. Hij zag er zelfs niet meer zo tegenop als anders om de volgende ochtend weer naar  school te gaan; nu hij dankzij Brukers de stilte achter de hand had, moest hij het gedreun van de Condares, de chaos van zijn klas, de wereld weer aankunnen.

Maar de nachtmerrie die hem na het inslapen overviel leek zo angstaanjagend op werkelijkheid dat hij de dekens van zich afwierp en opstond. Hij wilde zichzelf onmiddellijk geruststellen. Over zijn pyjama schoot hij een broek aan en hij haastte zich de deur uit. De wind bolde zijn pyjamajas en hij rilde. De maan spiegelde zich duizendvoudig in de ramen van de flats. Twee blokken verder woonde zijn vriend.

De deur stond open en de ruimte was vol mensen. De bol vertoonde een gapende opening en een paar mannen in overall waren met snijbranders bezig het gat nog groter te maken. Onderaan de touwladder lag Brukers. Hij lag voorover en zijn beide brillenglazen waren versplinterd alsof iemand er zijn voet op had gezet. Uit een oor stroomde bloed. Als een slaapwandelaar strekte Kerger zijn armen uit naar een man die onverschillig tegen een muur geleund stond en een sigaret rookte. Hij zag eruit alsof hij de leiding had. Toen deze hem aankeek zag hij het: diezelfde trouwhartige en kinderlijke oogopslag als een van zijn leerlingen. Of  was het hem? Zo snel al volwassen?
“U hebt de laatste stilte vernietigd,” zei Kerger. “Ik zal aangifte doen bij de politie.”
“Wij zijn de politie,” zei de man.

 

 


 

 

HAMLET EN KAFKA.

29-10-2013

In een kelder van een antiquariaat in Soho dolf ik een boek op dat The Gosts of Hamlet heet. De auteur, Martin Scofield, behandelt hierin de response van moderne schrijvers op Hamlet en wijdt hierin een hoofdstuk aan de overeenkomsten in Hamlet en Kafka.  Wat hebben die twee met elkaar gemeen? Geen zier, dacht ik. Dat er ergens een (onduidelijke) verwijzing naar Hamlet in een dagboeknotitie van Kafka voor blijkt te komen, wist ik niet, maar zegt op zich natuurlijk weinig. En het is sowieso nogal raar een fictieve en een historische figuur met elkaar te gaan vergelijken. Dat we door Kafka te lezen Hamlet beter zouden kunnen begrijpen, zoals Scofield beweert, lijkt me stug. De handeling in Hamlet wordt in gang gezet door het verschijnen van de geest van zijn vader en ook – zo stelt Scofield – Kafka’s boeken zijn gevuld met geestverschijningen, namelijk de autoriteiten die K. vergeefs probeert te achterhalen en met wie hij zoveel moeite heeft in contact te komen.  Dat zal wel en daar kan je voor mijn part nog een andere overeenkomst aan toevoegen: zowel Kafka als Hamlet kan je honderdmaal lezen en analyseren, je blijft  met het gevoel  zitten dat er iets essentieels is dat je ontgaat,  dat je het nóg een keer moet gaan lezen (of zien) om er achter te komen wat. Maar daar houdt het wel mee op.
Over de fictieve figuur Hamlet zijn natuurlijk al boekenkasten vol geschreven, meer dan over welk historisch personage dan ook.  En Kafka? Onmogelijk om daar nog iets zinnigs over te zeggen. Toch blijkt de poging die Scofield onderneemt om parallellen tussen Kafka en Hamlet op te sporen verrassend boeiend en meer dan de moeite waard om te lezen. Daarbij heeft hij, iets dat heel goed past als je wat over dergelijke  universele en daardoor ongrijpbare fenomenen als deze twee wil zeggen, met wat hij betoogt zowel groot gelijk als  apert ongelijk.

Gelijk, als hij stelt dat het opvallend is,  dat er bij allebei sprake is van hetzelfde grondthema. Het basiselement in het werk van Kafka is diens problematische relatie tot het autoritaire gezag van zijn  vader.  Die is in al zijn werk onmiskenbaar aanwezig: van een vroeg verhaal als Het vonnis  tot zijn laatste roman Het slot. Aan de ene kant bewonderde, verafgoodde hij bijna zijn vader, aan de andere kant verafschuwde hij hem. Het meest expliciet komt dit aan de orde in zijn Brief aan de vader. In embryonale vorm vind je hier Kafka’s levenslange preoccupatie met het op irrationele gronden gevestigde gezag, zoals dit in zijn belangrijkste werken Het Proces en Het Slot tot uitdrukking komt. In het eerste wordt een bankbediende gearresteerd en geëxecuteerd op gezag van een dubieuze, spookachtige rechtbank. In het tweede worstelt een landmeter K. met het gezag dat een ongrijpbare autoriteit over hem blijkt uit te oefenen (en die hem voor zijn werk twee irritante, onbenullige assistenten toewijst, verre neefjes van in Hamlet het duo Rosencrantz en Guildenstern).
Bij Hamlet treffen we inderdaad hetzelfde basisgegeven aan dat het stuk beheerst: in één zin samengevat is het de geschiedenis van iemand die een opdracht van de aan het begin van de tragedie aan hem verschenen geest van zijn vader uit moet voeren. Hij herinnerde zich die als een bijna goddelijke figuur ( So excellent a king), maar wat moet je aan met de geest van je vader als duistere en gekwelde figuur, die je opdraagt hem te wreken door een moord te plegen? Deze opdracht stelt al het andere in de schaduw en gooit Hamlet’s leven danig overhoop. Had hij daarvoor een verhouding met Ophelia, die raadt hij nu aan maar beter in een klooster in te treden (Get thee to a nunnery). (Een parallel zou je kunnen zien in Het slot K.’s vergeefse relatie met Frieda en de mislukte contacten met vrouwen van Joseph K. in Het Proces.) Hoewel Hamlet zich afvraagt wat de zin is van het bestaan en zelfs zelfmoord niet uitsluit, twijfelt hij niet aan de autoriteit van zijn zo bewonderde vader en uit hij zijn afkeer van het gedrag van zijn moeder die met zijn oom Claudius het bed deelt.
Tot zover heeft Scofield gelijk en je kan bij gebrek aan beter Freud van stal halen en spreken van een omgekeerd soort Oedipuscomplex, dat je verrassend genoeg dus zowel op Hamlet als Kafka van toepassing kan verklaren.
Maar op een ander vlak heeft hij ongelijk en is er als literair werk niet alleen geen sprake van verwantschap tussen  Hamlet en Kafka, maar zijn deze eerder elkaars antipode.  
Elke tijd kent zijn eigen visie op Hamlet en ik kan me voorstellen dat onze, hedendaagse variant (al is die nog zo moeilijk opvoerbaar) zou zijn dat die geest niet werkelijk verschijnt. Je zou het stuk ook zo kunnen interpreteren, dat in het hoofd van Hamlet nog het vroegere beeld van de geïdealiseerde vader ligt opgeslagen, daterend uit de tijd voordat de puberteit toeslaat en ook Hamlet de volwassenen om hem heen heel anders gaat zien. Dat Idealbild wordt verdrongen door wat hij nu als realiteit ervaart. Als je het zo ziet, is de huidige koning Claudius zijn “echte” vader, die in het geestesleven van Hamlet zijn droombeeld van de door hem geïdealiseerde vader heeft omgebracht. Het in het stuk geleverde “bewijs” voor een fysiek, daadwerkelijk door de koning uitgevoerde moord is, zou ik zeggen, flinterdun: behoort die geestverschijning in het begin van het stuk wel tot de realiteit, met die getuigenverklaring vanuit het graf over de moord die gepleegd zou zijn? Spoken bestaan niet en zelfs bij de door Hamlet geënsceneerde toneelvoorstelling, een soort reconstructie om de koning als moordenaar te ontmaskeren,  is er geen sprake van een bekentenis. Alleen van een interpretatie van Hamlet, die er vergaande consequenties aan verbindt als de koning genoeg van die voorstelling krijgt en wegloopt. Maar geeft dat toneelstukje dat Hamlet laat opvoeren wel de werkelijkheid weer? Als toeschouwer (of lezer) blijven we achter met de vraag niet alleen of die voorstelling wel iets kan bewijzen, maar meer in het algemeen wat het realiteitsgehalte is van alles wat we waarnemen. Is wat we als realiteit krijgen voorgeschoteld wel iets anders dan een toneelopvoering, waarvan we nooit kunnen vaststellen of die wel of niet een afspiegeling is van de werkelijkheid? Niet alleen uit de overbekende monoloog To be or not to be, zo vaak aangehaald dat we niet meer bij de functie  ervan in het stuk stilstaan, maar ook uit talloze andere verwijzingen blijkt het centrale thema van Hamlet te zijn hoe we de werkelijkheid om ons heen moeten interpreteren. Als je  Hamlet zou moeten classificeren, kom je het meest in de buurt met deze de tragedy of perspective te noemen. Hamlet, die ons in de loop van het stuk voortdurend van commentaar voorziet over zijn eigen optreden (of ontbreken daarvan), speelt de rol van iemand die zijn verstand kwijt is en als hij aan zijn eind komt draagt hij zijn vriend Horatio op vooral het verhaal te vertellen, het postume verhaal. Zodat hij niet voor niets gestorven is, zouden wij tegenwoordig zeggen. Maar welk verhaal? Niet alleen die geest is of je ‘m nou laat opkomen of hem vanachter het toneel wat laat roepen zo goed als onspeelbaar. Dat Hamlet, die toch onze sympathie zou moeten opwekken, en passant Polonius, de vader van Ophelia, zijn geliefde, doorsteekt als hij meent een rat te horen... Maak hem nou even. Hoort eerder thuis in een grand guignol (een van die bloedige, over the top horrorstukken die ook in de tijd van Shakespeare populair waren) dan in een tragedie. Om niet te spreken van het slottafereel met vergiftigde degenpunten, gifbekers en een daaruit resulterende opeenstapeling van lijken. Nou ja, kom nou zeg. En toch krijg ik bij elke opvoering of herlezing van Hamlet kippevel. Door de gelaagdheid, de onuitputtelijke mogelijkheden om het stuk vanuit verschillend perspectief te benaderen en de twijfel die door Shakespeare voortdurend gezaaid wordt of je het als toeschouwer wel bij het rechte eind hebt bij het beoordelen van wat je hoort of ziet.
Maar juist op dit vlak is een grotere tegenstelling dan met Kafka niet denkbaar: deze past precies het tegenovergestelde procedé toe. In Het proces, Het slot,  Amerika, De gedaanteverwisseling of welk ander verhaal van hem ook, is er nooit sprake van een nachtmerrie waaruit je mogelijk kan ontwaken, waarna je, wakker geworden, alles in een ander perspectief ziet. Bij Kafka is er geen enkele ruimte voor relativering van het geschrevene, geen enkele verwijzing naar een transcendentale of andere werkelijkheid, geen enkele ontsnappingsmogelijkheid uit het verhaal. Het ontbreken van elke reflectie van de schrijver buiten het kader van het vertelde, de volslagen onmogelijkheid om tijdens het leven of desnoods door een Horatio als getuige erna een alternatief verhaal te vertellen, bewerkstelligt de hypnotiserende onontkoombaarheid die Kafka’s proza kenmerkt. Bij Kafka is wat hij schrijft volkomen autonoom en volgt uitsluitend zijn eigen wetten. Wat het juist is dat de kracht ervan uitmaakt en het (in de woorden van W.F.Hermans) unieke, monolithische karakter verleent.